Sailing

Oversteek Zuid Pacific – Etappe 2

Door Bernard
Nu we Tahiti, het centrum van Frans Polynesië, ‘gedaan’ hebben, wordt het tijd om verder westwaarts te reizen, langzamerhand richting Nieuw Zeeland. Talloze eilanden op deze route lokken ons met sprookjesachtige namen, historische gebeurtenissen of boeiende reisverhalen, die de verbeelding prikkelen: Bora Bora, Rarotonga, de Cook Eilanden, Samoa, Kiribati… Veel te veel om in één reis te ontdekken, dus Simon stelt heel radicaal voor: we skippen alles, en stoppen enkel en alleen in Tonga op onze weg naar Nieuw Zeeland. Dan verdoen we onze tijd niet met zeilen (sic), in-en uitklaren, en nemen we uitgebreid de tijd om dit relatief onbekende en niet-verwesterde koningrijk te ontdekken. Zo gezegd, zo gedaan.

Deze etappe zal 1,500 mijl zijn, 14 dagen rekenen we, iets minder dan de helft van onze eerste etappe. Maar het zal minder leeg voelen; regelmatig zullen we weten dat er ergens niet al te ver achter de horizon een eilandgroep ligt te luimeren in de zon. Ook zal het weer minder bestendig zijn; de vertrouwde Oost-Zuid-Oost Passaat boet hier aan stabiliteit en kracht in.

We zeilen met een heerlijk noorderwindje en goed zicht vlak langs het rif van Moorea, waar we afgelopen week onze avonturen beleefd hebben; eerst passeren we de pass waarin we doken en Lotta lieten bijliggen om walvissen te kijken; dan onze ankerbaai, en tot slot de snorkelplek waar we de onder-water Tipi zagen. En op de achtergrond steeds die haarscherpe kam naar de top van Mount Rotui; toen we die beklommen hadden we amper een paar tientallen meters zicht in de wolken, vandaag domineert de berg majestueus het hele eiland. Met een paar uur is alles achter de horizon verdwenen en stellen we ons in op de nieuwe etappe.

We gaan dit keer voor een roulerend wachtsysteem: ’s nachts vier wachten van 3 uur (18-21, 21-24, 00-03, 03-06) en overdag 3 wachten van 4 uur (06-10, 10-14, 14-18). Totaal 7 wachten per etmaal, en we zijn met vier dus elke dag heb je één nachtwacht en meestal ook een dagwacht, en elke dag schuif je vanzelf één wacht op. Aan het begin en aan het eind van je wacht neem je een uurtje overlap met je maat om rustig over te dragen, samen een manoeuvre uit te voeren, of gewoon wat bij te kletsen of sterren te zoeken. De middelste uren van je wacht ben je lekker alleen met Lotta. Als het buiïg is, kun je nog best druk zijn met bijsturen, reven, ontreven; maar als het weer stabiel is heb je nu heerlijk de rust om je dagboek bij te werken, de bewegingen van de sterren eigen te maken, of het ritme van de golven tot je door te laten dringen. Voor je het weet is je wacht voorbij en kun je weer naar je lekkere warme kooi om uit te slapen de volgende dag in. Meestal dus. Niet altijd. Peter had de pech dat er in de vroege ochtend een ongelukkige golf over het achterdekje spoelde, zo ons luik in, plens op zijn bed. Jesper, die wacht liep, was in het kuipje ook zijknat geworden en informeerde gelijk door het luik hoe het daar beneden ging. Hij deed dat zo vrolijk, dat we eerst nog dachten aan een misplaatste grap. Maar een paar dagen later was Jesper echt niet in de buurt, en toch herhaalde het gebeuren zich nogmaals, ditmaal niet één maar wel drie putsen zeewater in Peter’s kooi… Ach, het houdt je bezig, opnieuw al je beddengoed drogen, en tevens word je met weemoed herinnerd aan de klamme lappen van het vooronder van de Rust en de Vriendschap…

Ergens halverwege de reis komen we langs een kleine atol met slechts een zeer summiere vermelding in de pilots: geen pass, wel een kleine, onbeschutte baai waar de gastvrije locals een paar moorings gelegd hebben; echter, allerminst een rustige plek om te overnachten. Omdat we toch vlak langs varen, besluiten we een spelletje te spelen met het thuisfront, waarvan we weten dat ze al onze bewegingen nauwkeurig volgen op de Garmin pagina van de website. We sturen recht op de atol af, en pas na het doorseinen van een tracking point varen we in een half maantje strak om het eiland heen, zodat we net vóór het volgende tracking point aan de andere kant beland zijn om onze oude koers te hervatten…  Ook hier is het zicht prima en durven we vlak langs de branding rond het rif te varen, we bewonderen het atol met zijn tiental eilandjes, spotten tussen de palmbomen hier en daar wat tekenen van bewoning: een schotelantenne, een watertank, een PV systeem. We denken zelfs dat we verderop in de baai twee mensen in een kano bezig zien. We zijn precies op tijd rond voor onze grap en maken weer een scherpe bocht weg van het eiland, onze oude koers richting Tonga. De marifoon is de hele week stil gebleven, maar nu kraakt-ie plots: “Sailing yacht, sailing yacht, here Palmerson Island…”
“Palmerson Island, here sailing vessel Lotta”
“Lotta, please change to channel 14”, op kanaal 14 gevolgd door:
“Lotta, you are heading in the wrong direction, the bay with the mooring is East of you. We have sent two men to assist you with the mooring, they are awaiting you in the bay…”
Ooops daar hadden we niet op gerekend, wat moeten we hierop antwoorden?
Palmerson geeft het nog niet op.
“Sailing vessel Lotta, how many persons do you have on board?” Alsof ze al bezig zijn een feestmaal aan te richten. We leggen uit dat we alleen maar hun mooie eiland in het voorbijgaan kwamen bewonderen, maar dat het niet ons plan was om bij hun te overnachten. Maar toch heel erg bedankt voor de gastvrijheid en sorry voor de gewekte verwachtingen… De man aan de andere kant van de marifoon kan er nog net “Allright then, have a good trip” uit persen, maar de teleurstelling druipt er van af. En ook wij blijven met een kater-gevoel zitten. Natuurlijk, het was een verre van ideale ankerplek, en het paste niet in ons originele plan, maar het beloofde wel onverwachte avonturen met gastvrije mensen die maar een paar keer per jaar wat verdwaald bootjesmensen ontmoeten? Hoewel we niet echt iets verkeerds gedaan hebben, houd ik er wel een verdrietig gevoel aan over, en zie alweer een reden om hier nog eens terug te komen (met Lotta 2.0!?), en dan wèl Palmerson expliciet op het lijstje te zetten; deining of geen deining!

Tijdens ons dagelijks boompje klaverjassen fantaseren we hoe we Palmerson aantrekkelijker kunnen maken voor jachten, door bijvoorbeeld een pass in het rif te creeëren. [Harten troef]. Baggeren? Mooie klus voor Boskalis met Wouter als projectmanager? [Stuk valt!] De Franse luchtmacht een gat laten bombarderen met overjarige munitie? [Laatste troef!] Of de marine met een paar goed gerichte torpedo’s? [Laatste slag is voor ons! Tel jij of tel ik?] Tegen elk plan komen vast wel wat natuurorganisaties in het geweer [Nat!].

De visvangst verloopt niet echt voorspoedig. Ze willen niet echt bijten, en de paar keer dat ze bijten zijn het zulke joekels dat ze de draad breken (of doorbijten) en niet aan boord komen. De eerste die we wel binnenboord krijgen is een sketchy barracuda. Vanwege zijn drie rijen vervaarlijke tanden klemmen we hem stevig onder de voet, hij kijkt me benauwd aan: “wat heb ik misdaan, ik krijg geen lucht, laat me los!”. Helaas is de barracuda één van de roofvissen die Ciguatera kunnen overdragen; een enge ziekte die zelfs dodelijk kan zijn, dus we geven hem terug aan de zee. De laatste dag hebben we opnieuw stevig beet: dit maal echt een enorme Wahoo van zeker 1,20 meter lang! Enorm gespetter, Simon ziet er stoer uit als hij hem moeizaam aan het dikke snoer langszij haalt. We fantaseren al dat we straks voldoende vis hebben om na aankomst het hele dorp uit te nodigen, maar eerst: hoe krijg je zo’n zwaar beest aan boord? Simon trekt aan de draad, ik steek mijn vingers door de enorme kieuwen en samen sleuren we zijn 30 spartelende kilo’s bijna over de railing. Dan nog een woeste klap, de wartel van de vislijn breekt open, de kieuwen scheuren uit, en de wahoo ligt weer in het water, bebloed, met haak nog in de wang en de bek totaal uitgescheurd… Voer voor de haaien maar niet meer voor ons. Beteuterd kijken we elkaar aan. Wat een beest was het! Hoe dichtbij waren we! Het was niet gebrek aan kracht, maar wel aan slimme aanpak van onze kant dat het ons niet gelukt is hem aan boord te halen. We bedenken een methode om dit soort pijnlijke missers in de toekomst te voorkomen. Sorry wahoo, we hopen dat je snel een ander, pijnloos plekje in de voedselketen vindt…

Onze landing op Tonga is op het eiland Lifuka. Het wordt al bijna gewoon, maar het blijft kicken, als we onder vol tuig en op minder dan honderd meter van de branding de punt van het eiland ronden. In het vlakke water achter het rif houden we wel de volle wind, prachtig zeilen dus! De jonge schippers-eigenaren en Lotta gaan even goed los om die oude generatie platbodemschippers eens te laten zien hoe je een zeegaand jacht op zijn kant kunt laten racen! De genua gaat volledig uitgerold, de schoten worden snoeistrak gehaald, en ja hoor daar gaat Lotta er als een hinde van door, ze springt vooruit en legt zich elegant op één oor; het water bruist nu permanent in het gangboord. Nog wat afvallen en het water staat op het potdeksel, Lotta geeft geen krimp, ze stuurt nog steeds pinklicht. Nog een extra vlaag en het water staat aan de reling, Lotta geeft nog steeds geen krimp, ze stuurt immer pinklicht en voelt veilig als een huis. Of anders gezegd, als een Colin Archer in de Stille Zuidzee!

(Overigens, als Lotta nog eens van plan is om de reling onder water te zeilen, is het een goed idee om de dop van de vulleiding van de dieseltank goed dicht te draaien!)

Dan zakt de zon achter de horizon, en is het speelkwartier voorbij. We laten Lotta’s anker zakken in de luwte van een baai. Met alle spanning en sensatie zijn we helemaal vergeten de koelkast aan te zetten voor het ankerbier! Dus vieren we alweer een oversteek, want zo voelen de afgelopen 12 dagen wel, met een rummetje. Proost! Op Palmerson Island! op de monster wahoo! En bovenal, op Lotta!

Simon van Hemert

Simon van Hemert

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

63 ÷ = seven